Oca

Oca (Oxalis tuberosa) is een karakteristiek knolgewas uit het Andesgebergte. In Peru en Bolivia behoort het tot de traditionele knolgewassen die al duizenden jaren worden verbouwd op hooggelegen terrassen waar wind, zon en schrale bodems de norm zijn. Buiten Zuid‑Amerika is de plant nog relatief onbekend, maar haar opvallende kleuren, frisse smaak en robuuste groei maken haar steeds geliefder bij moestuiniers die graag experimenteren met bijzondere gewassen.
Botanisch gezien is oca een soort, die verwant is aan de klaverzuringen, waaronder 'ons' klavertje vier (Oxalis tetraphylla). De bovengrondse delen lijken dan ook bekend: driebladig, een lage, wat bossige groeiwijze en kleine gele bloemen. De plant vormt niet zulke hele grote knollen van maximaal zo'n 15 centimeter, maar doet dat in een grote variatie aan kleuren: van citroengeel en warm oranje tot dieprood en bijna paars. De vorm is langwerpig, vaak met lichte ribbels, en de schil glanst alsof ze met was is bedekt.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Oxalis, is afgeleid van het Oudgriekse woord óxos (ὄξος), wat 'zure wijn' of 'azijn' betekende. De meeste gezinsleden zijn zuur. Het tweede deel, tuberosum, is geleend uit het Latijn, waar tuber, zoiets betekende als 'bult' of 'zwelling'.

Oca stelt botanici voor een raadsel, want niemand weet precies waar de wilde voorouders van deze soort hebben geleefd. Wilde (gerelateerde) Oxalis-soorten en met nog kleinere knollen zijn bekend van een viertal gebieden in het centrale Andesgebergte van Zuid-Amerika[1].
Een bijzonder kenmerk van oca is dat de knolvorming pas echt op gang komt nadat de dagen korter zijn dan de nachten (na 23 september op het noordelijk halfrond). Dat maakt de teelt in gematigde klimaten als het onze lastig: de planten moeten lang genoeg kunnen doorgroeien om een goede oogst te leveren, maar zijn tegelijkertijd gevoelig voor vroege nachtvorst. In Nederland lukt de teelt redelijk goed wanneer de planten vroeg worden uitgeplant en op een zonnige plek staan. De knollen kunnen doorgaans in november worden geoogst, soms zelfs wat later als het weer zacht blijft.

Culinair heeft oca een frisse, lichtzure smaak die wat doet denken aan citroen en radijs, maar na enkele dagen narijpen wordt ze milder en zoeter. In de Andes worden de knollen vaak in de zon gelegd om hun zuren af te breken. Oca kan rauw worden gegeten, geroosterd, gestoofd of verwerkt in stamppotten en ovenschotels. De structuur blijft stevig en sappig, zelfs na langere bereiding.

Voor tuinders is oca een sterke, weinig eisende plant. Ze verdraagt arme grond, wisselende vochtigheid en matige schaduw, al geeft ze de hoogste opbrengst op een zonnige, goed doorlatende plek. De soort is bovendien relatief resistent tegen ziekten en plagen, wat haar aantrekkelijk maakt voor biologische teelt.

[1] Emshwiller, Doyle: Origins of domestication and polyploidy in oca (Oxalis tuberosa: Oxalidaceae): nrDNA ITS data in American Journal of Botany – 1998. Zie hier.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten